Parochienieuws

Brief van pater Dorus Wubbels over koeien.

Vandaag moest ik in Ngong zijn. Ik gaf een Maasai een lift. Hij vertelde: “Wij zijn koeienmensen. Het gaat heel slecht met de koeien. Het heeft lang niet geregend. Er is weinig water. Verschillende van mijn koeien zijn al dood!”

Onderweg in de auto keek ik naar de herders met hun koeien. Ieder dier is ingevallen. De ribben steken vreemd uit het vel. Er is geen gras te zien. Alleen maar wat hooi in het zand.

Toen ik terug kwam in ons centrum en naar de slums van Kibera keek, zag ik dat er wel twintig kinderen in een kring stonden en luid schreeuwden. Opeens weken ze allemaal tegelijk terug. Een slang? Ik keek beter en zag een koeiekop. Het arme dier was in het modderriviertje terechtgekomen terwijl de kudde overstak en spartelde zichzelf vast in de zuigende modder. Het riviertje is het laagst gelegen deel in de buurt.

Er zijn hier tegenwoordig veel Maasai herders met hun kudden. Alleen is het water niet schoon. De stroom zeult rotzooi uit een wijde omtrek met zich mee. Soms wassen moeders hun kleren in het gore water. Ze denken dat veel zeep gebruiken ook het water zuivert. Ze hebben weinig keuze, want die kleren moeten schoon.

Er werd verwoed aan de koe getrokken, maar zonder veel succes. Zouden zo de giraffen zijn uitgevonden? Er kwamen steeds méér mensen kijken. Ze dachten vast aan rundvlees. 
Opeens lukte het toch de koe uit de sloot te krijgen. Het was een jong dier. Zijn kop was droog en bruin, de rest van zijn lijf was zwartgrijs van de modder. Vieze modder. Rioleringsmodder.

Het valt niet mee Maasai herder te zijn als het niet regent, als elke inspanning te veel is in de verschroeiende zon en als de koeien, je lust en je leven, verwelken waar je bij staat.

Dorus Wubbels, Nairobi   (samenzijnwesterk@gmail.com)

 

Terug naar Parochienieuws